|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Laag- & Hoogconjunctuur
|
Laagconjunctuur
Bij hoge werkeloosheidcijfers en lage groeicijfers van productie dan kan men spreken over een laagconjunctuur.
|
Kenmerken voor een laagconjunctuur zijn:
- de economie draait op lage capaciteit
- werkeloosheidstijging (ruime arbeidsmarkt)
- overheidstekort vermeerdert
- belastingontvangsten minderen
- belastinguitgaven worden meer
- bedrijven gaan vaker failliet
- er is sprake van dalende bedrijfswinsten
- import afname
- prijsstijgingen gaat niet zo snel meer
- daling van de rente (er is weinig vraag naar bedrijfsleningen om te kunnen investeren)
- afname van het consumentenvertrouwen
|
|
Hoogconjunctuur
Is er sprake van een versnelde groei van de productie dan is er sprake van hoogconjunctuur. Hierbij is het kenmerk dat er meer vraag is dan aanbod.
|
|
Kenmerken voor een hoogconjunctuur zijn:
- de economie draait maximaal
- er is sprake van personeelstekort op de markt
- weinig werkelozen
- belastingontvangsten stijgen
- de belastinguitgaven dalen of groeien minder snel
- er zijn weinig bedrijven die failliet gaan
- de bedrijfswinst stijgt
- import toename
- productie draait maximaal, dus ook stijging in de vervuiling
- sterke consumentenvertrouwen
- er dreigen prijsstijgingen, inflatie
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|